Cassatievlog: Reikwijdte belanghebbende-begrip verzoekschriftprocedure
In onderstaande vlog bespreekt Thomas van der Sanden een interessante uitspraak waarin de Hoge Raad de reikwijdte van het belanghebbende-begrip heeft verduidelijkt in het kader van een verzoek tot wijziging van de statuten van een stichting op grond van art. 2:294 BW.
Aanleiding voor deze zaak is het volgende. Stichting fonds tot beheer van het voormalige vermogen van het kerkgenootschap Des Heren Nieuwe Kerk zijnde Nova Hierosolyma, is in 2004 opgericht voor het beheer van het vermogen van het (voormalig) kerkgenootschap Des Heren Nieuwe Kerk zijnde Nova Hierosolyma. Het kerkgenootschap is in de jaren dertig van de vorige eeuw ontstaan, en in 2017 ontbonden als gevolg van een teruglopend ledenaantal.
Kerkgenootschap Junius 19 is in 2020 opgericht en heeft volgens zijn statuten onder meer ten doel de leer van kerkgenootschap Des Heren Nieuwe Kerk te praktiseren.
Junius heeft in november 2020 bij de Stichting een (omvangrijke) aanvraag ingediend voor financiële ondersteuning. Junius heeft in deze steunaanvraag geschreven dat het is gebaseerd op de principes en/of voldoet aan de kenmerken uiteengezet in artikel 17 van de statuten van de Stichting.
Kort daarop heeft het bestuur van de Stichting besloten een verzoek op grond van art. 2:294 BW in te dienen om de statuten van de Stichting te wijzigen. De Stichting heeft in het kader van het wijzigingsverzoek aangevoerd dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om het door de Stichting beheerde vermogen in te zetten voor de verspreiding van de leer van Kerkgenootschap Des Heren Nieuwe Kerk. In dat verband werd gewezen op het gegeven dat de in de statuten omschreven doelstellingen zeer beperkt zijn en er sinds de oprichting van de Stichting niet of nauwelijks realistische verzoeken tot bijdragen/subsidies zijn geweest en ook niet te verwachten zijn. De rechtbank heeft bij beschikking van 23 februari 2021 het doeluitbreidingsverzoek toegewezen.
Het bestuur van de Stichting heeft Junius halverwege 2022 meegedeeld dat Junius niet kwalificeert als kerkgenootschap als bedoeld in artikel 17 van de statuten van de Stichting en daarom niet in aanmerking komt voor financiële ondersteuning.
Nadien heeft Junius de rechtbank op de voet van artikel 390 Rv verzocht de doeluitbreidingsbeschikking van 23 februari 2021 te herroepen, de doeluitbreidingsprocedure te heropenen en het doeluitbreidingsverzoek af te wijzen. Volgens Junius is in de doeluitbreidingsprocedure sprake geweest van bedrog doordat de Stichting cruciale feiten heeft verzwegen, namelijk de (omvangrijke) subsidieaanvraag van Junius. Nu er volgens Junius (wél) voldoende mogelijkheden zijn om het door de Stichting beheerde vermogen in te zetten voor de verspreiding van de leer van Kerkgenootschap Des Heren Nieuwe Kerk, bestaat er volgens Junius geen rechtvaardiging voor de doeluitbreiding. Als de rechtbank juist en volledig was ingelicht, dan zou het doeluitbreidingsverzoek niet zijn toegewezen.
De rechtbank heeft het herroepingsverzoek afgewezen omdat Junius naar het oordeel van de rechtbank niet wegens een voldoende nauwe betrokkenheid belanghebbende is bij de doeluitbreidingsbeschikking, gelet waarop Junius hiervan ook geen herroeping kan verzoeken. Junius stelt deze beslissing (direct) cassatieberoep in. Dit kan omdat het herroepingszaak betreft, waartegen geen hoger beroep openstaat, maar wel cassatieberoep.
In cassatie moet de Hoge Raad zich buigen over de vraag of Junius al dan niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de eerdere doeluitbreidingsprocedure. De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar eerdere rechtspraak dat de rechter zich in de verzoekschriftprocedures binnen redelijke grenzen ambtshalve erop moet toezien dat alle vermoedelijke belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord. Het antwoord op de vraag of iemand belanghebbende is, moet worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij speelt een rol in hoeverre deze persoon door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
De Hoge Raad concludeert in navolging van A-G Assink in diens conclusie dat het oordeel van de rechtbank dat Junius niet wegens een voldoende nauwe betrokkenheid belanghebbende is bij de doeluitbreidingsbeschikking niet in stand kan blijven. De feiten kunnen van een dusdanig nauwe betrokkenheid van Junius bij het onderwerp van de doeluitbreidingsprocedure blijk geven dat daarin een voldoende belang is gelegen om in die procedure te verschijnen. De Hoge Raad verwijst de zaak naar Hof Amsterdam. Het ligt in de rede dat Junius daarin wel als belanghebbende zal worden aangemerkt, zodat het herroepingsverzoek inhoudelijk zal worden beoordeeld.
Rechtsgebied(en)
Benieuwd naar de uitspraak en vlog? Bekijk dan onderstaande video:
https://www.youtube.com/watch?v=ZCgSqkwWMJ4