Blog

Hoge Raad scherpt criteria voor toekenning immateriële schadevergoeding in belastingzaken aan

De Hoge Raad heeft de criteria voor toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in belastingprocedures fors aangescherpt (HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). De Hoge Raad doet dat vanwege het feit dat steeds meer procedures worden gevoerd "in de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade en een daaraan gekoppelde vergoeding van proceskosten" te verkrijgen (r.o. 3.4.2) . Het hoogste rechtscollege laat blijken niet doof te zijn voor de oproepen vanuit de rechterlijke macht en bestuursorganen tot aanscherping van de bestaande regels zodat bij procedures met een gering financieel belang voortaan een vergoeding van immateriële schade minder snel wordt toegekend. De zogenaamde ‘bagatelgrens’ wordt aanzienlijk verhoogd, namelijk van € 15 tot € 1.000. In dit blog worden de belangrijkste vuistregels samengevat en vervolgens voorzien van enkele observaties.

 

Wanneer schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn?

De door de Hoge Raad gegeven vuistregels laten zich als volgt samenvatten:

- immateriële schade wordt behoudens bijzondere omstandigheden verondersteld aanwezig te zijn en leidt per halfjaar termijnoverschrijding tot een vergoeding van € 500 (HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252)  (r.o. 3.2.1);

- als sprake is van een zeer gering financieel belang bij de procedure doet zich een bijzondere omstandigheid voor die meebrengt dat geen schadevergoeding hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (r.o. 3.2.2);

- bij het financiële belang gaat het slechts om een of meer belastingaanslagen en/of voor bezwaar vatbare beschikkingen en niet om nevenbeslissingen (proceskosten, griffierechten, wettelijke rente en materiële en/of immateriële schade en dwangsommen)  (r.o. 3.3.1);

- als sprake is van meer geschillen over hetzelfde onderwerp gaat het om het totale financiële belang (r.o. 3.3.2);

- het financiële belang bestaat in beginsel uit het voordeel dat de belanghebbende krijgt bij honorering van zijn standpunt (r.o. 3.3.3);

- het financiële belang moet per fase (bezwaar, beroep, hoger beroep, cassatie) worden bepaald (r.o. 3.3.4);

- als het financiële belang niet meteen duidelijk is, rust op de belanghebbende de bewijslast omtrent de omvang van het belang (r.o. 3.3.3).

Tot zover gaat het om reeds bestaande en deels verduidelijkte regels.

 

Nieuwe regels bij gering financieel belang en overgangsrecht

Als nieuwe regels voegt de Hoge Raad toe:

- als het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden kan de rechter volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (r.o. 3.4.4);

- als het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken (r.o. 3.4.5);

- deze nieuwe regels gelden niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voor 14 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van dit arrest is overschreden (r.o. 3.5).

 

Enkele observaties bij de nieuwe regels

Wat betreft de verhoging van de bagatelgrens tot € 1.000 verwijst de Hoge Raad naar inmiddels vrij oude jurisprudentie in strafzaken en belastingzaken waar een boete aan de orde is en aansluiting gezocht bij de conclusie van a-g Wattel (ECLI:NL:PHR:2023:1042). De Hoge Raad heeft echter niet diens suggestie overgenomen om de omvang van de schadevergoeding te maximeren op het pleitbare financiële belang bij de procedure. Dat leidt ertoe dat in zaken met een relatief gering financieel belang dat wel boven de € 1.000 ligt, een belanghebbende bij een termijnoverschrijding van meer dan een jaar al een schadevergoeding tegemoet kan zien die hoger is dan het financiële belang bij de procedure. Het is niet duidelijk waarom de Hoge Raad er niet voor heeft gekozen om eventueel naast de verhoging van de bagatelgrens voor bepaalde gevallen ook de forfaitaire schadevergoeding (van € 500 per halfjaar) te verlagen. Naar de redenen hiervoor kan men slechts gissen. Het is mogelijk dat de Hoge Raad hierbij van belang heeft geacht dat op grond van art. 30a lid 3 Wet WOZ zoals die bepaling vanaf 1 januari 2024 geldt, in WOZ-procedures nog slechts € 50 per half jaar termijnoverschrijding wordt toegekend. De Hoge Raad zag als gevolg daarvan wellicht geen rol voor zichzelf weggelegd. Duidelijk is dat de Hoge Raad niet meegaat met de jurisprudentie van veel feitenrechters die ook in gevallen waarin art. 30a Wet WOZ niet van toepassing is, uitgaan van een bedrag van € 50 per halfjaar (zie bijv. Rechtbank Midden-Nederland 4 september 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:4481).

Doordat de Hoge Raad nu verheldert dat het financiële belang slechts kan bestaan uit het fiscale belang is helder dat de bagatelgrens van € 1.000 in heel veel zaken over belastingen van decentrale overheden niet zal worden overschreden. Dat geldt niet alleen voor zaken over parkeerbelastingen maar ook voor WOZ-procedures. Voor deze laatste procedures is dan nog relevant dat een belanghebbende duidelijk dient te maken wat de omvang is van het financiële belang. In WOZ-procedures over woningen is het echter niet plausibel dat het belang hoger is dan € 1.000.

Als extra stok achter de deur heeft de Hoge Raad nog beslist dat bij de bepaling van het financiële belang geen acht wordt geslagen op standpunten die de belanghebbende tegen beter weten in heeft ingenomen. Het heeft dus geen zin om uitsluitend ter voorkoming van de toepasselijkheid van de bagatelgrens onhoudbare standpunten in te nemen.

Wat betreft het rechterlijk overgangsrecht stelt de Hoge Raad twee cumulatieve voorwaarden, die ertoe leiden dat de voorheen geldende bagatelgrens van € 15 nog enige tijd zal worden toegepast, als de redelijke termijn al is overschreden en er reeds een verzoek is gedaan. Dit impliceert dat in alle zaken waarin de tweejaarsperiode (in het geval van beroepen bij de rechtbank) nog niet is volgelopen, de nieuwe regels gelden. Materieel gelden de nieuwe regels in zoverre dus ook voor oude gevallen. Als gevolg van dit arrest is het belang aan de prejudiciële vragen van Hof ’s-Hertogenbosch van 6 maart 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:699, grotendeels komen te ontvallen. Zeker nu de Hoge Raad in zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft beslist (in r.o. 7.1.1) dat het griffierecht niet langer hoeft te worden vergoed als bij een ongegrond (hoger) beroep een immateriële schadevergoeding wordt toegekend. Daarbij heeft de Hoge Raad (in r.o. 7.1.2) vergelijkbaar overgangsrecht geformuleerd als in het onderhavige arrest.

 

De tekst van dit blog is ontleend aan een (nog te verschijnen) annotatie in Belastingblad.